donderdag 14 maart 2013

Deja vu

Steenenkamer, 8 oktober 1983
De man in de shop bij de benzinepomp had borstelige wenkbrauwen. Ze vormden een dikke streep boven zijn zwarte ogen. Ik meed zijn indringende blik en keek naar de rekken naast de toonbank. Haastig pakte ik een zak drop, een reep chocolade en een zak chips. Nog voordat ik op mijn fiets zat, had ik de zak drop al opengemaakt en propte een paar dropjes in mijn mond. Een gevoel van opluchting nam de spanning uit mijn lijf weg. Ik stak de drukke weg en het fietspad over, zonder op het verkeer te letten. Het was al helemaal donker, de fietser op het fietspad, die uit de richting van de stad kwam, had ik niet aan zien komen. Ik kon haar maar net ontwijken. Het was een meisje, van een jaar of 15, 16. In het licht van de lantaarnpaal zag ik even haar ogen oplichten; lichtblauw. Ik keek haar na. Op haar bagagedrager vervoerde ze een grote koffer met een muziekinstrument. Ze keek me aan, niet geërgerd, eerder verbaasd. Op mijn koude studentenkamer at ik de rest van het troosteten. Even voelde ik me niet meer zo eenzaam, maar het schuldgevoel kreeg al snel de overhand.

Deventer, 3 maart 1986
Het zaaltje van de Volle Evangelie Gemeente zat propvol. Ik zat op mijn stoel te schuiven. Samen met nog vier nieuwelingen, zou ik voorgesteld worden aan de gemeente. Na de zangdienst volgde de preek, die wel een half uur duurde. Een kwartet muzikanten speelde daarna tijdens de collecte. Een blond meisje blies op haar trompet. Het meisje had ik nog niet eerder in de dienst gezien. Eindelijk werd ik naar voren geroepen. Mijn zorgvuldig gerepeteerde getuigenis was ik prompt vergeten. Ik kon allen uitbrengen:
“Ik wil me laten dopen omdat ik nu ook in God en Jezus geloof.”
De mensen riepen “Amen” en “Halleluja” en klapten in hun handen. Het blonde meisje zat stil op haar stoel. Ze keek me even geamuseerd aan. Ik zag dat ze pretogen had.

Nijmegen, 2 juli 1996
Het was bloedwarm en ik liep met D. door de winkelstraat op weg naar het vrouwencafé. We waren nu een maand samen en ik wist al dat het hooguit nog een paar weken zou duren, dan zou het over zijn tussen ons. Te weinig passie, te weinig gespreksstof. Met moeite baanden we ons een weg tussen de geparkeerde auto’s. ‘Eindexamenconcert studenten koordirectie’ las ik op een poster op een het raam bij de ingang van het concertgebouw. Twee jonge vrouwen liepen haastig over de stoep naar de ingang. Ze droegen donkerblauwe smokings en zwarte lakschoenen. Ik stopte en maakte een gebaar met mijn arm.”Gaat u voor.”De vrouw maakte ook een zwierig gebaar met haar arm. Ik zag dat ze kleine handen en korte vingers met afgebeten nagels had. ”Jij kunt zeker ook dirigeren.”
”Nou nee, maar jij veel succes straks.”
Ze lachte of nee, het leek meer op nerveus gegiechel, alsof ze een paar wijntjes ophad om zichzelf moed in te drinken. Maar aangeschoten was ze niet, ze liep door, zelfverzekerd in een rechte lijn met grote passen. D. reageerde weer eens erg jaloers.
“Wat ben je toch een flirt”, zei ze later.

Rheeze, 2 augustus 2001
”Dat zijn ook potten.”, zei MJ, mijn eerste grote liefde.
Zij, haar drie zonen en ik gingen tijdens onze vakantie zwemmen. Op het pad langs de recreatievijver passeerden ons twee vrouwen met daarachter op een afstandje twee kleine meisjes. De vrouwen, de een klein en tenger en de ander fors en zo te zien een stuk ouder, spreidden hun handdoeken op het grasveld uit. Het veld was al behoorlijk vol, maar tien meter verderop was nog een plekje voor ons vijven. De meisjes huppelden het water in. De jongste vrouw zette een windscherm op.
”Kan ik je helpen?”, zei de andere vrouw.
”Nee, laat maar, ik kan het in mijn eentje veel sneller.”
”Je gaat je gang maar.”’
Onze jongens’ waren alweer uit het water en gingen voetballen op een leeg stuk strand, wat verderop. MJ’s jongste gaf de bal een flinke schop. De bal knalde hard tegen het hemelsblauwe windscherm van onze buren. De oudere vrouw sprong op en gooide de bal met een grote boog in de andere richting.”Ga alsjeblieft hier weg en gauw ergens anders voetballen.
”Ik stond ook op en hielp de jongere vrouw om het windscherm weer op te zetten.
”Sorry.”, zei ik.
”Ach, maakt niet uit, kan gebeuren.”
Ze lachte haar stralende lach en ik zag de kuiltjes in haar wangen.

Zwolle, najaar 2004
’Toen ik jou zag, hield ik meteen van jou.’ Een week na het partijtje voetballen in het park met onze vrouwenclub, hoorde ik dit lied op de radio. Antonie Kamerling zong het. Zijn stemgeluid was wat iel, maar wat hij zong, was mooi en waar, echt waar. Liefde op het eerste gezicht bestaat namelijk. Het bestaat echt. Ze wilde ook wel met ons voetballen in het park.
Twee maanden later, toen we op een vrijdagochtend, voor het eerst samen in bed lagen, zei ze: ”Toen ik jou voor het eerst zag, was het alsof ik een déjà vu had. Ik weet zeker dat ik je eerder heb gezien.”Ik spitte in mijn geheugen en liet de voorgaande 39 jaar van mijn leven de revue passeren. Ik kon me niets herinneren. Maar het kon toch heel goed waar zijn. Ze vertelde waar ze overal gewoond, gestudeerd, gewerkt en vakantie gehouden had. Het was frappant, in vier plaatsen kwam ik op dat moment ook wel eens. Ook ik woonde, studeerde, werkte en hield daar vakantie. Het kan zomaar eens gebeurd zijn dat ik haar op straat of op een strand tegenkwam. Het kan zomaar eens gebeurd zijn dat ik ’s avonds daarover wat opschreef in een dagboek, dat ik allang verscheurd heb. Dat ik wat schreef over een kleine blonde vrouw die ik toevallig eens ontmoette met mooie lichtblauwe pretogen en kuiltjes in haar wangen. En haar stralende lach moet me toen zeker opgevallen zijn.

Dit verhaal is verschenen in de Trouw van 22 oktober 2005 en in de bundel Ware verhalen, Een persoonlijke geschiedenis van Nederland in verhalen, samengesteld door Ton Rozeman, uitgegeven door De Geus, oktober 2005. Het verhaal maakte deel uit van het Ware verhalenproject, dat georganiseerd werd door Club Schrijven, de KRO en Trouw. Het project liep van oktober 2004 tot juli 2005. Van de 2500 inzenders verschenen enkele tientallen verhalen in de Trouw en ongeveer 100 in de bundel.

Het commentaar van schrijver Ton Rozeman, samensteller van de bundel, luidde bij mijn verhaal: "Vijf situaties, die door de schrijfster krachtig zijn neergezet. Geen uitgebreide beschrijvingen, ze zet ons er meteen midden in. Lees de openingszin nog maar eens van ieder stukje. 'De man in de shop bij de benzinepomp had borstelige wenkbrauwen.' Meteen is er een personage, een decor, spanning. Zo weinig heeft de schrijfster nodig om een wereld te creeeren.'"

Voor het krantenartikel ben ik ook geinterviewd. Op de vraag wat mijn drijfveer is, antwoordde ik: "Het is voor mij een uitlaatklep, een manier om mezelf te laten gaan," zegt postbode Hilda Knol (40). Zij verzint haar verhalen vaak tijdens haar werk, bijvoorbeeld als van Zwolle naar Giethoorn rijdt om de postbussen te legen. Over het autobiografische gehalte van mijn verhaal schrijft de krant: "Maar ook zij balanceert op de rand tussen fictie en werkelijkheid: in 'Deja vu' beschrijft zij scenes uit haar leven, waar ze haar vriendin als het ware in gemonteerd heeft." Onderstaande foto werd bij dit artikel geplaatst.






Troost

De jongen met de blonde paardenstaart zag ik op de liftplaats even buiten de stad staan. Hij hield een gitaarkoffer in zijn rechterhand. Met zijn andere hand hield hij een bordje met ‘Utrecht’ omhoog. Ik stopte, ik had dezelfde bestemming op die stormachtige vrijdagavond in november.

In de auto poetste de jongen zijn beregende bril. Hij zei niet veel; vertelde alleen dat hij vanavond naar een vriend in Utrecht ging. Morgen wilden zij samen een muziekfestival bezoeken.
'Mag de radio uit?'
'Waarom?”'
'Ik ben gedumpt en verdraag die muziek niet.'
Ik deed de radio uit. Door de regen, die genadeloos de voorruit geselde, hoorde ik toch amper de liedjes.
'Rot voor jou.'
'Ja.'
In het uur dat volgde zweeg de jongen. De regen vermengde zich met hagel. Het waaide hard. Ik hield het stuur met beide handen vast en tuurde voorovergebogen door de voorruit om de weg nog zo goed mogelijk te kunnen zien. Af en toe voelde ik dat de auto licht slipte. In de vluchtstrook zag ik een gevarendriehoek. Daar stonden twee auto’s die op elkaar waren geklapt. Ik stopte even verder en rende naar de voorste auto om te zien of ik kon helpen. De jongen rende achter mij aan.
'Ik ben arts, zijn er gewonden.'
'Nee, goddank niet, de politie is onderweg, maar dank u wel.'
De jongen en ik renden terug naar mijn auto. We waren allebei tot op het bot natgeregend. Met een snelheid van 40 km per uur reed ik nog een stuk verder. Langs de weg, zag ik meerdere auto’s geparkeerd staan.
'Dit is geen doen, ik ga hier eraf. Ik kan je in deze stad op de trein zetten, als je wilt.'
'Wat ga jij dan doen?'
'Ik zoek wel een hotel en rijd morgen verder.'
'Mag ik met je meekomen?'
Verrast door zijn vraag keek ik de jongen aan. Hij lachte en streek verlegen met zijn hand door zijn haren. Zo lijkt hij op Hans dacht ik, toen ik hem vijftien jaar geleden ontmoette. Dezelfde blonde haren, dezelfde helderblauwe ogen. De jongen wilde troost en ik ook.

'Een kamer voor twee,' zei ik tegen de portier.
Op de kamer trokken we droge kleren aan.
'Ik ken deze stad, ben hier geboren, zal ik je mijn stamkroeg laten zien?'
De jongen en ik liepen samen de stad in. Het regende nog steeds hard en we schuilden onder een grote paraplu van het hotel. We passeerden de stadsgracht en kwamen uit bij een grote kerk.
'Hier is het.'
Op de gevel van de kroeg stond Irish pub. We dronken die avond veel te veel bier en whisky.
'Dus je bent arts?'
'Ja, kinderarts, ik ga naar een tweedaags congres in Utrecht.'
'Heb je zelf kinderen?'
'Nee, ik woon alleen met Hans. Vertel jij eens over je voorbije liefde.'
De ogen van de jongen knepen zich samen.
'Dat wilde ik juist even vergeten.'
Toch begon hij te vertellen, hoe hij haar ontmoet had op een studentenfeest, ze vrijwel meteen bij hem ingetrokken was en zij er nu met een andere vandoor was.

We liepen midden in de nacht terug naar het hotel. Het regende niet meer, maar er was wel een hevige wind opgestoken. Ik stak mijn arm door de zijne. Hij moest zijn best doen, de paraplu onder bedwang te houden. In de loge van het hotel brandde nog licht. De jongen bleek een goede minnaar, hij was attent en kende geen schaamte.
'Wat wil je dat ik bij je doe?' vroeg hij.
Hij wachtte het antwoord niet af. Ongeduldig, maar liefdevol beminde hij mij.

Bij het ontbijt keek de jongen mij aan. Een wenkbrauw trok hij omhoog.
'Je hebt er toch geen spijt van?'
'Nee', zei ik.
'En als je man erachter komt?'
'Die denkt dat ik op het congres voor kinderartsen ben.'

De storm was gaan liggen en binnen een uur arriveerden wij in Utrecht. Ik zette de jongen op het station af. Bij het afscheid gaf hij me een hand en streek met de andere nog eens door zijn haar.
'Bedankt.'
'Jij ook bedankt.'

'Ik dacht dat het nooit meer zou lukken,'zei Hans toen ik hem vertelde dat ik zwanger was.
Onze zoon werd geboren in de zomer. Hij was blond en had helderblauwe ogen. Hans zei dat het kind sprekend op hem leek.

Dit verhaal is gepubliceerd in de bundel 'Eten als Therapie in april 2005. Het is een uitgave van Boekhandel Westerhof in Zwolle. Deze boekhandel schreef in de zomer van 2004 een verhalenwedstrijd uit. De verhalen van 15 inzenders werden geselecteerd voor de bundel.